Met muziek de nacht in

De wachtkamer van de dokter of de tandarts heeft altijd iets typisch, vindt u niet? Je komt binnen. De stoelen zijn gevuld met andere wachtenden. Je stamelt “goededag” en zoekt een plekje. Je kijkt naar de andere bezoekers. Ze kijken terug; gauw doe je je ogen de andere kant op of je lacht vriendelijk. Achter de deur horen we vaag wat stemmen. Iedereen wacht het moment af dat de deur van de spreekkamer opengaat en een naam wordt genoemd. De sfeer in zo’n wachtkamer lijkt dan even op te veren en zodra de deur weer gesloten is, komt dat typische sfeertje terug.

De ruimte waar de discipelen verblijven, heeft ook een bepaalde, typische sfeer. Jezus en zijn leerlingen vieren een maaltijd, de laatste. Jezus spreekt over brood als zijn lichaam en de wijn als vernieuwing van Gods verbond met mensen. De woorden die Jezus uitspreekt, maken van de eetkamer een wachtruimte. De deur zal straks opengaan. Jezus zal vertrekken, naar Golgotha.

De evangelist Matteüs lijkt ons eerst te verrassen. Voordat de deur opengaat, klinkt er ineens muziek. Uit de monden van de Heer en zijn leerlingen komen liederen tot leven: “Toen zongen Jezus en zijn leerlingen een lied om God te danken.” (Matteüs 26, vers 30a Bijbel in Gewone Taal) Je leest er zo over heen, toch staat het er: ze zíngen.

Als we zoeken naar afbeeldingen uit de kunstgeschiedenis met een zingende Jezus: hou maar op, want die zijn er niet. Ja, in de musical-film Jesus Christ Superstar komen we Hem tegen. Of in de komedie Life of Brian. Of in de Passion-en van Johann Sebastian Bach, maar dan als spreek-zingende bas.

Mooi om zo te lezen in de Schriften: zij zingen de lofzang. De joodse traditie leert dat die prijsmuziek gepaard gaat met woorden uit Psalm 113 t/m 118. De zogenoemde Hallel-liederen. Voordat de deur opengaat, zingen ze. Jezus neemt de tijd, het kruis kan wachten.

Ze zingen lofliederen: Psalm 113 God als de barmhartige; de zon komt op en gaat weer onder, het licht die de duisternis verdrijft. In Psalm 114 horen we van schepping: God verandert de rots in een bron. Psalm 115 wordt gezongen over God en de andere goden; het is de God van Israël die zegent, overvloedig, veel en vaak. De andere goden zijn blind, doofstom, kunnen niets, weten niets, voelen koud en kil aan; wat lijken die goden toch op hun scheppers.

In Psalm 116 klinkt de ontferming van God door: de mens is veilig bij God, zelfs als het helemaal duister is. De kortste Psalm 117 is één groot loflied. Tot slot Psalm 118 waarin alle elementen uit 113 t/m 117 zijn opgenomen.

Jezus en zijn discipelen zingen Hallel, de lofprijzing, de lofzang in de wachtkamer naar Golgotha:

ze zingen de schepping uit de put

om een woord van ds Okke Jager te gebruiken. We putten hoop en kracht en vreugde uit de lofzang. Jezus kan het zingen niet laten; wij kunnen het zingen niet laten. Zingen dat het anders kán, dat het anders móet worden.

Als de nacht vordert, verstomt het zingen.
Het zingen wordt spreken.
Het spreken wordt zwijgen.
Het zwijgen eindigt met een laatste zucht:

“Het is volbracht”

zo zal Jezus zeggen aan kruis. De lofzang loopt dus toch stuk op al die antimachten…

Einde verhaal? Dat dachten we. Met Pasen leren we wéér zingen.
De zon gaat op!
Een dag van herschepping.
Een nieuwe lente.
De grote zomer komt eraan.

Wie gaat in het spoor van Jezus, komt straks echt thuis.

ds Robert-Jan van Amstel
(bovenstaande tekst is opgenomen in het blad Monitor, 2015, nr.1; uitgegeven door Stichting Diensten met Belangstellenden Amsterdam.