“Cadeau uit de Hemel” – Kerstavonddienst 2013

Het Hoge Woord (deel 1): De herder en de gouden ketting
Niet ver van Bethlehem vandaan, ziet een herder de ster die anders is dan de rest van de sterrenhemel. In zijn hart klinkt de echo van de woorden van de profeet Jesaja: “De Heer zal een teken geven: ziet, de jonge vrouw zal een kind baren en hem de naam Immanuël, God- met-ons, geven” (Jesaja 7, vers 14) Die ster daar aan de hemel prikt hem in de ziel: ja, nu is het gebeurd. De Redder is geboren. God is nu heel dicht bij de mensen gekomen. “Daar ga ik naar toe”, zo zegt de herder tegen zichzelf. Hij zoekt naar een geschikt cadeau. Want met lege handen bij de Redder komen…
Zijn gedachten gaan naar het familie-erfstuk: een grote, gouden ketting met een kruisteken. De ketting had hij begraven bij een oeroude olijfboom.  Hij graaft de ketting op en kijkt naar de gouden kettingschakels en naar het kruisteken. De sieraden die hij weleens ziet, zijn vaak een gouden hart of de afbeelding van een dier of een ster. Maar een kruis? Dat is zeldzaam. Het kruis is één van de middelen van de Romeinse overheid om ongehoorzame mensen te straffen tot de dood erop volgt. “Nou ja”, denkt de herder, “de ketting en het kruisteken zijn van goud. Dus een mooi geschenk!” Hij hangt de ketting om zijn hals en gaat op weg.

Urenlang loopt hij de richting die de ster hem wijst. Uit het niets wordt hij verrast door een meisje. Vermagerd, ogen diep in het gezicht en een uitgestoken, bedelend handje. Ineens valt spontaan de ketting van zijn hals. Net op tijd vangt hij hem op. Een deel van de ketting is losgeraakt van de rest. En zonder er verder over na te denken geeft hij dat deel van de gouden ketting aan het kind. Het kind begint te stralen. Zij springt op van vreugde en knuffelt de herder.
De herder is er beduusd van: “Ik heb dat deel van de ketting gewoon aan het kind gegeven!”

Snel vervolgt hij zijn weg. De ketting past niet meer om zijn nek. Hij houdt hem stevig vast in de hand met de gedachte: “De hals van een baby is lang niet zo groot als die van een ruwe herder”. De herder komt langs een stuk land waarop een groep mensen een greppel graven. De opzichter slaat met zijn zweep op iemand die helemaal uitgeput op de grond is gevallen: “Opstaan! Werken! Hup!” En nog een pats en nog één.
In zijn hand voelt de herder dat de ketting in drie stukken uiteenvalt. Hij weet meteen wat hij moet doen: hij geeft een deel aan de opzichter en een andere in de wiebelige hand van uitgeputte man. Vier ogen kijken vol verbazing naar de herder. En degene op de grond stamelt: “Dank u wel”.

Hij kijkt naar wat hem nog rest: een stukje gouden ketting en het kruisteken. Hij loopt verder. Zijn weg gaat door een plek met veel olijfbomen dicht bij elkaar.  Twee ongure types komen voor hem te staan. Twee rovers! De herder kijkt nog even goed in hun ogen en hij ziet iets heel anders: “Angst en bezorgdheid omdat hun gezin niets te eten heeft.”
U raadt het al: wat nog van de gouden ketting over is, splitst zich in twee stukken. De herder probeert ze vast te houden. Ze kriebelen in zijn hand. “Moet ik deze klaplopers ook nog wat geven?”, zo zegt hij in zijn gedachten. Hij geeft de twee onverlaten ieder een stuk gouden ketting. En ineens zijn ze verdwenen…
Beteuterd kijkt de herder naar zijn handpalm met daarop slechts nog het gouden, zeldzame kruisteken: “Ik kan hier toch niet mee aankomen? Ik word vast uitgelachen.”

Binnen no-time staat de herder voor het gastenverblijf. Dat zit helemaal vol en ineens valt zijn oog op een zijdeur. De stal met reisdieren. Daar ziet hij twee jonge mensen en een kindje. “Wat een armoedige bedoening voor de Redder van de wereld.” Voorzichtig loopt hij naar het kribje, knielt en geeft het kind het gouden kruisteken. Plotseling wordt de herder omgeven door mooi licht. Het kind lijkt te spreken tot hem: “Dank je wel!”, terwijl het mondje niet beweegt. “Ach”, zegt de herder, “er hoort nog een ketting bij, maar die ben ik onderweg kwijt geraakt.”
“Nee hoor”, zegt het kind met stralende ogen, “je bent niets onderweg kwijtgeraakt. Je hebt de gouden ketting voor iets veel waardevollers ingeruild.” De ogen van kind komen boven de rand van de kribbe uit en kijken langs de herder heen. De herder draait zich om te zien wat het kind ziet.
En iedereen die hij iets van de gouden ketting had gegeven, staat daar: het magere meisje met een paar vriendjes en vriendinnetjes. De harde opzichter en de uitgeputte arbeider met een aantal collegae. Zelfs de twee rovers met hun gezin. Allemaal buigen zij hun knieën en zien het kind met volle aandacht. Vrede straalt van hun gezichten. Het kleine kind in de kribbe spreekt opnieuw: “Met de mensen die in nood zijn, met hen die je hebt meegenomen, wil ik een ketting door alle eeuwen maken.” En het kind pakte het gouden kruisje: “Ik zorg ervoor dat de ketting van mensen tot in de hemel zal reiken.”

Het Hoge Woord (deel 2) – een gedachten omtrent de betekenis van Kerst
Ik kijk nu ook in de kribbe. Zoals als de engel al zei, ook tegen ons vanavond: “Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.” (Lucas 2,12) In doeken gewikkeld, dat komt nog een keer terug in de geschiedenis van Jezus Christus, verderop in het Lucas-evangelie: het moment dat Hij van het houten kruis op Golgotha wordt gehaald. Zijn dode lichaam met daarop de zweepslagen van de wereld, de uitsluiting en de afwijzing, wordt in doeken gewikkeld en gelegd in een rotsgraf met de steen ervoor (Lucas 23, vers 53 en Lucas 24, vers 2) Ik laat mijn ogen gaan over wat ik zie in de kribbe. En ik hoor de woorden van de engel nog echoën: “voor jullie is een redder geboren”. Waarvan kan dit kind u, jou en mij redden? Wat zou je nu bij dit kind willen neerleggen, waarvan zou je bevrijd willen worden?

Dat is de kern van het kerstfeest zoals we dat vieren met elkaar, ieder jaar opnieuw: een Cadeau uit de hemel van God zelf. God wordt mens. Hij die Schepper is van hemel en aarde, Hij die groter is dan ons hart, Hij wordt mens in een kribbe, Hij past in twee armen. Die ruimte neemt Hij in tijdens kerst. Hij wordt mens onder de mensen. God schenkt zichzelf aan de mensen.
De hemel is zo vol vreugde daarover dat de nacht moet wijken – terwijl de herders in de velden van Bethlehem hun werk doen, terwijl wij onze gewone dagelijkse dingen hebben, school, studie, werken voor de baas of als ZZP’er, moederen, vaderen, vrijwilligerswerk, druk als mantelzorger, een sociaal leven onderhouden… Misschien heb je dat allemaal niet omdat je lichaam en je geest in onbalans zijn, je ziel verwond is, zijn de dagelijkse uren tergend lang, is het leven juist vechten en word je daar doodmoe van… Ineens worden die herders, ineens word jij omarmd door het uitbundige licht van de Heer. En de engel, de boodschapper van God zegt: “Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws, evangelie brengen.”  “Vandaag” “Heden” “Voor jullie” zegt de engel, en hier komt het geschenk, het cadeau, de Redder is geboren. Hij die je redt, misschien kan ik beter zeggen, Hij die je optilt uit je dagelijkse beslommeringen en je laat zien en horen en voelen, als de geboorte van een nieuwe dag: “Jij bent van grote waarde voor God.”

Vanavond vieren we de onvoorwaardelijke liefde van God voor u, jou en mij. Liefde die begint in een kind, gewikkeld in doeken. Niets menselijks is God vreemd. Een cadeau uit de hemel voor jou. Een liefde sterker dan de dood. De handen van Jezus Christus zijn het begin van een ketting van mensen, elkaar de handen reiken, elkaar niet loslaten, tot aan vandaag, tot in de hemel. Wij horen erbij.

Zalig Kerstfeest!
AMEN

Uitgesproken tijdens de kerstavonddienst 2013 in het Concertgebouw te Amsterdam.
Het verhaal over de herder en de gouden ketting is gebaseerd op een idee van Willi Hoffsümer.